Een obligatie is een lening aan een overheid of bedrijf. Je krijgt meestal rente en op een afgesproken datum volgt de terugbetaling. Dat klinkt overzichtelijk. Toch kan de waarde van je belegging ondertussen flink veranderen. Een vaste rente betekent namelijk niet dat je obligatie een vaste prijs heeft.

Wil je begrijpen wat je koopt, kijk dan naar drie dingen: wie moet jou terugbetalen, wanneer gebeurt dat en hoeveel betaal je vandaag? Die laatste vraag wordt makkelijk overgeslagen. Terwijl juist de aankoopprijs bepaalt hoeveel je werkelijk aan een obligatie kunt verdienen.

Wat koop je met een obligatie?

Bij een aandeel word je voor een klein stukje eigenaar van een onderneming. Bij een obligatie leen je geld uit. De overheid of onderneming die de lening uitgeeft, heet de uitgever. In de voorwaarden staan de rente, de betaaldagen en de einddatum. Die einddatum wordt ook de vervaldatum genoemd.

Neem een gewone obligatie met een nominale waarde van € 1.000 en een vaste jaarlijkse rente van 3%. De nominale waarde is het bedrag waarover de rente wordt berekend en dat de uitgever volgens de afspraken aan het eind terugbetaalt. Je ontvangt dus € 30 rente per jaar. Die rentebetaling heet de coupon.

De nominale waarde is iets anders dan jouw aankoopprijs. Koop je deze obligatie van een andere belegger voor € 950, dan blijft de jaarlijkse coupon € 30. Betaal je € 1.050, dan ontvang je eveneens € 30. Aan het eind krijg je in beide gevallen volgens de voorwaarden € 1.000 terug, mits de uitgever zijn verplichtingen nakomt.

Er bestaan ook obligaties met een variabele rente of zonder tussentijdse rentebetalingen. In deze uitleg ga ik uit van de gewone variant met vaste rente. Controleer bij een concreet aanbod altijd welke variant je voor je hebt.

Waarom daalt de koers als de marktrente stijgt?

Stel dat nieuwe, vergelijkbare obligaties meer rente opleveren dan jouw obligatie. Een nieuwe koper zal dan minder willen betalen voor jouw lagere vaste coupon. De koers daalt zodat het verwachte rendement weer aantrekkelijk wordt. Bij een dalende marktrente werkt dit andersom.

Ik maak dat graag zichtbaar met één resterend jaar. Een obligatie betaalt over precies een jaar € 30 rente en € 1.000 terug. Samen is dat € 1.030. Als kopers voor een vergelijkbare lening nu 5% rendement verlangen, past daar een prijs van ongeveer € 980,95 bij: € 1.030 gedeeld door 1,05. Vanaf die lagere aankoopprijs komt het rendement uit op 5%.

Dit voorbeeld laat alleen het rente-effect zien. De terugbetaling staat vast in de berekening en kosten blijven buiten beschouwing. In werkelijkheid kan de koers ook veranderen doordat beleggers twijfelen aan de uitgever, of doordat een obligatie moeilijker te verkopen is.

Bij verder gelijke kenmerken reageert een obligatie met een langere resterende looptijd doorgaans sterker op renteveranderingen. De vastgelegde betalingen liggen dan verder in de toekomst. Een looptijd van twintig jaar is dus geen detail als je het geld mogelijk over drie jaar nodig hebt.

Coupon is niet hetzelfde als rendement

Die 3% op de obligatie vertelt je hoeveel rente wordt betaald over de nominale waarde. Het vertelt niet hoeveel jouw belegging oplevert. Daarvoor moet je ook de aankoopprijs, de uiteindelijke terugbetaling of verkoopprijs en de kosten meenemen.

Bij een aankoopprijs van € 950 levert € 30 jaarlijkse rente ongeveer 3,16% van je aankoopbedrag op. Dit wordt het directe rendement genoemd. De mogelijke winst van € 50 bij terugbetaling zit daar nog niet in. Ook de resterende looptijd ontbreekt: die € 50 maakt meer verschil als je één jaar wacht dan wanneer je tien jaar wacht.

Daarom zie je bij obligaties vaak het rendement tot de einddatum, ook wel yield to maturity. Dat cijfer verwerkt de aankoopprijs, de afgesproken betalingen en hun timing. Het rekent op tijdige betaling door de uitgever en houdt doorgaans geen rekening met jouw kosten en belasting. Hoeveel je uiteindelijk opbouwt, hangt ook af van de rente die je krijgt als je ontvangen coupons opnieuw belegt.

Koop je boven de nominale waarde, dan krijg je aan het eind minder terug dan je betaalde. De coupons kunnen dat verschil goedmaken, maar de couponrente alleen laat die rekening niet zien. Vergelijk aanbiedingen dus niet uitsluitend op het grootste rentepercentage.

Kun je gewoon wachten op de terugbetaling?

Bij een gewone obligatie kun je koersschommelingen onderweg laten voor wat ze zijn als je tot de einddatum blijft zitten en de uitgever volledig betaalt. Maar daarmee verdwijnt niet ieder risico. Je hebt nog steeds geld uitgeleend aan iemand die moet kunnen terugbetalen.

En soms verandert je eigen situatie. Je hebt onverwacht geld nodig, verhuist of wilt een ander deel van je vermogen beleggen. Dan moet je mogelijk verkopen tegen de koers van dat moment. Ontvangen rente voorkomt niet dat de verkoopopbrengst lager kan zijn dan je aankoopbedrag.

Houd daarom je reserve voor onverwachte uitgaven apart van je beleggingen. In het artikel over hoeveel spaargeld je als buffer nodig hebt lees je hoe je zo’n reserve koppelt aan je eigen huishouden. Een obligatie met een verre einddatum vervangt die direct beschikbare buffer niet.

Let ook op vervroegde aflossing. Sommige uitgevers mogen eerder terugbetalen. Je krijgt dan je geld terug op een moment waarop je misschien alleen tegen een lagere rente opnieuw kunt beleggen. De voorwaarden vertellen of de uitgever dat recht heeft en welk bedrag je dan ontvangt.

Staatsobligaties en bedrijfsobligaties: waar zit het risico?

Een staatsobligatie is een lening aan een overheid, een bedrijfsobligatie aan een onderneming. Die naam zegt nog niet genoeg. Een financieel sterke overheid en een overheid met grote betalingsproblemen geven allebei staatsobligaties uit. Ook tussen ondernemingen bestaan grote verschillen.

Het risico dat rente of aflossing uitblijft, heet kredietrisico. Een kredietbeoordeling, of rating, helpt om uitgevers te vergelijken. Het is geen garantie en kan veranderen. Bij bedrijfsobligaties met een lage beoordeling zie je vaak het label high yield. De hogere rente vergoedt daar een groter risico op betalingsproblemen.

Een obligatiehouder staat bij een faillissement doorgaans vóór een aandeelhouder in de rij. Dat betekent niet dat je altijd al je geld terugkrijgt. De rang van de lening en de beschikbare bezittingen bepalen mede wat er overblijft. Een achtergestelde lening komt later aan de beurt dan andere schulden.

Ook een obligatie van een sterke uitgever kan in koers dalen. Daarnaast kan inflatie je koopkracht aantasten. Bij 3% opbrengst en 4% inflatie koop je na een jaar minder, hoewel het bedrag in euro’s is gegroeid. En bij een obligatie in dollars kan een dalende dollar je resultaat in euro’s drukken.

Obligaties vallen niet onder de Nederlandse depositogarantie. Ook een obligatie van een bank valt niet onder die garantie. Het blijft een lening aan die bank.

Losse obligaties of een obligatiefonds?

Met één losse obligatie kies je zelf de uitgever en einddatum. Je concentreert je geld daarmee wel in één lening. Met een obligatiefonds of obligatie-ETF beleg je in een verzameling leningen. Dat maakt spreiden eenvoudiger, maar je betaalt fondskosten en de waarde kan dalen.

Een gewoon obligatiefonds koopt doorlopend nieuwe obligaties terwijl andere worden verkocht of aflopen. Jouw deelname heeft daardoor niet dezelfde vaste terugbetaling op één einddatum als een losse obligatie. Kijk dus naar de samenstelling en het looptijdbeleid van het fonds. Er bestaan ook fondsen met een beoogd eindjaar; lees daarvoor de specifieke voorwaarden.

Een fonds met langlopende staatsleningen gedraagt zich anders dan een fonds met kortlopende bedrijfsleningen met een lage rating. Het woord ‘obligatiefonds’ op de verpakking vertelt te weinig. Controleer welke uitgevers, looptijden en valuta erin zitten en hoeveel je jaarlijks betaalt.

Wat controleer je voordat je koopt?

Begin met het doel van het geld. Wanneer wil je het gebruiken en hoeveel tussentijdse waardedaling kun je dragen? Obligaties kunnen naast aandelen een plek hebben, maar stijgen niet automatisch zodra aandelen dalen. Bij een inflatieschok kunnen beide onder druk komen. Lees ook de afwegingen bij aandelen kopen als de beurs daalt.

Bekijk vervolgens de uitgever, aankoopprijs, einddatum en mogelijkheid van vervroegde aflossing. Vraag welke kosten worden gerekend en hoe makkelijk je tussentijds kunt verkopen. Bij aankoop tussen twee betaaldagen kan opgebouwde rente boven op de genoteerde koers komen. De totale afrekening is dan hoger dan de koers alleen doet vermoeden.

Kun je alleen zeggen ‘er staat 4% rente bij’, dan ontbreekt nog een belangrijk deel van het verhaal. En merk je dat koersbewegingen je steeds tot actie aanzetten, lees dan hoe je emoties bij beleggen kunt herkennen. Een passend plan helpt je meer dan een aantrekkelijk rentegetal.